Brieven voor Batavia. Het postvervoer tussen Nederland en Azië in de tijd van de VOC.

Deel 1

P.J. Moree

Inleiding

Op 30 november 1780 schreef de Texelse huisvrouw Aagje Luijtsen een zeer aangrijpende brief aan haar man Harmanus Kikkert. Op 14 november was hun zeven maanden oude zoontje Klaas, genoemd naar Aagjes vader, aan de kinderpokken overleden. In haar woonplaats Den Burg was sprake van een heuse epidemie. Een aantal kinderen van kennissen van de Kikkerts was ook gestorven. Harmanus, die de geboorte van Klaas niet had meegemaakt, bevond zich op het moment van schrijven in Kanton, waar hij op 4 september 1780 met het VOC-schip de Parel was aangekomen. Hij keerde pas eind 1781 terug naar Texel, omdat de Parel en drie andere VOC-schepen in de Saldanhabaai (ten noorden van de Kaap de Goede Hoop) door de Engelsen veroverd werden. Harmanus moest wachten tot hij kon meevaren met het Deense schip Copenhagen.

Aagje schreef de volgende woorden aan haar "waarde lieve man":

"Vinden bij deesen mij weeder verpligt te melden maar mijn lust daarontrent is niet veel want mijn hart is overstelpt van droefheijd, want lief, op den 18 november [1780] is mijn lieve jon[g]ste soontije Klaas Kikkert uijt het land der levindige weggenoomen en overgegaan hoop ik in het koni[n]kkrijke der heemele[n] en een volle vr[e]uugd geniet, ja beter als hij ooijt op aarde zal b[e]leeve[n]. Hij is aan de kinderpokkes gestorven. Was van zijn hoofd tot zij[n] voetijes toe vol, en het sm[a]rtelijks[t] daar van dat hij in zijn borstije is gesmoord. Voor mij onvergeetbaar want mijn vr[e]ugt, mijn pronk is weg, want hij was een beeld der be[e]lden, goedhardig en soet, en wat een liefde ik van dat kind gehad heb kan ik u zoo niet schreijven lief, want u kant het zoo niet begreijpen, want [u] heeft het nooijt gesien. Maar lief als uw se eens onder u haart had gedraagen en met sorg ter weereld gebragt, aan mijn borst gesoogen en daar vaader en moeder over zijn, en het al mijn vermaak was, mijn twee lieve kindertijes, nu ik uw niet bij mij heb. Maar lief, dat lieve sieltije het al te mooij en te lief voor ons geweest. God heeft het nog veel liever gehad. Daarom lief moeten wij de hand op de mond leggen en seggen Heere U[w] wille geschiede en met David hoop ik te seggen "Ik zal wel tot hem gaan maar hij zal tot mij niet weeder koomen". (1)

De aangrijpende brief van Aagje Luijtsen is er een van vele epistels die in de achttiende eeuw werden geschreven door Nederlanders die hun kennissen en familieleden van de situatie in het vaderland op de hoogte wilden brengen. Over deze wijze van berichtgeving gaat deze korte bijdrage. Hoe was de postverzending tussen Nederland en Indië in het tijdvak van de machtige Verenigde Oost-Indische Compagnie geregeld? Kon iemand die na een lange reis naar Azië veilig en wel was aangekomen op een gemakkelijke manier een persoonlijke brief naar huis sturen? En hoe zorgde de Compagnie ervoor dat haar officiële post zo snel mogelijk de vestigingen in de Oost bereikte? Werd deze post met de gewone handelsvloten meegegeven of zijn door de VOC speciale, snelle schepen ingezet? Maar allereerst kort iets over de organisatie van de VOC.

De Loffelijke Compagnie: zeventien heren en zes kamers

In het jaar dat Aagje Luijtsen de hierboven geciteerde brief aan haar man schreef, bestond de Vereenigde Nederlandsche Geoctroyeerde Oostindische Compagnie (VOC) al bijna 180 jaar. De VOC was in 1602 opgericht met als doel in Azië specerijen als peper, kruidnagelen, kaneel en nootmuskaat te vergaren. Later werd dit assortiment uitgebreid met handelsgoederen als katoen, zijde, thee en porselein. Nadat de eerste Nederlanders in 1596 de Oost hadden bereikt en er in verschillende Hollandse en Zeeuwse steden allerlei Oost-Indische Compagnietjes waren ontstaan, besloten de Staten-Generaal deze compagnieën te verenigen in één grote handelscompagnie, de VOC. Deze kreeg een handelsmonopolie in het gebied ten Oosten van Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika en ten Westen van Straat Magelhaen (Zuid-Amerika). Het ging om een enorm territorium dat tevens de gehele Indonesische archipel bevatte. In het derde kwart van de zeventiende eeuw stond de VOC op het toppunt van haar macht: zij bezat steunpunten en handelsfactorijen in onder meer Zuid-Afrika (Kaap de Goede Hoop), Suratte, Malabar, Ceylon (het huidige Sri Lanka), Coromandel, Bengalen (het huidige Bangla Desh), Kanton (China), Decima (Japan) en op allerlei plaatsen in de Indonesische Archipel. De Europese dienaren van de Compagnie, die de diverse factorijen en vestigingen bevolkten, waren letterlijk over het hele handelsgebied verspreid. De Compagnie was de grootste en machtigste handelsorganisatie van dit tijdvak.

Gedurende de twee eeuwen van het bestaan van de Compagnie bleef de organisatie van dit miljoenenbedrijf zo goed als ongewijzigd. Zij was een vennootschap met een federatief karakter en bestond in de Republiek der Verenigde Nederlanden uit zes vestigingen - de zogeheten kamers - en een overkoepelende directie. In de kamers - gevestigd te Amsterdam, Middelburg, Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen - zaten bestuurders, die bewindhebbers werden genoemd. De kamer van Amsterdam was verreweg de grootste en belangrijkste.

Het centrale bestuur van de VOC was in handen van een directie, bestaande uit zeventien bewindhebbers, die zeer toepasselijk de naam Heren XVII (Heren Zeventien) meekregen. De besluiten van de Heren XVII werden uitgevoerd door de zes kamers. Die waren volgens een bepaalde verdeelsleutel ook verantwoordelijk voor de bouw en uitrusting van de schepen. Iedere kamer bezat dan ook een eigen scheepswerf, waar de schepen werden gebouwd en gerepareerd. Bovendien zorgden de kamers, opnieuw volgens een verdeelsleutel, voor de verkoop van de Aziatische producten die de retourvloten aanvoerden.

De geschiedenis van de VOC omvat bijna de volledige zeventiende en achttiende eeuw. De Compagnie hield formeel op te bestaan op 31 december 1799, toen de staat haar octrooi niet meer verlengde. Er is recentelijk veel geschreven over de ondergang van de VOC in de tweede helft van de achttiende eeuw, met name na de rampzalige Vierde Engelse Oorlog (1780-1783). Deze berokkende de VOC een kolossale schade, vooral als gevolg van het verlies van schepen en retourladingen aan de Engelsen. Moderne berekeningen komen uit op een bedrag van meer dan veertig miljoen gulden, bijna drie vierde van het totale vermogen van de Compagnie.

Behalve deze schade wordt ook de onder de VOC-dienaren wijdverspreide corruptie genoemd als een van de oorzaken van het verval van de Compagnie. Hoe het ook zij, de 'Loffelijke Compagnie' is in staat geweest tijdens haar bestaan bijna vijfduizend maal een schip naar de Oost uit te rusten. Het overgrote deel van deze schepen is - oorlogsdreigingen, stormen en epidemieën aan boord ten spijt - aangekomen op de diverse plaatsen van bestemming. En gedurende twee eeuwen is er met deze schepen post van en naar de Oost gezonden.

In de zeventiende en achttiende eeuw was communicatie tussen inwoners van de Republiek en de dienaren van de VOC in Azië niet eenvoudig. Gemiddeld duurde het zo'n negen maanden voordat een Oost-Indiëvaarder, die zowel officiële Compagniespost als privé-brieven vervoerde, Batavia bereikte. Vanwege deze lange overtocht was een aantal brieven bij aankomst al archiefmateriaal geworden. De zeeroute was echter de enige manier om strategische, commerciële en privé-informatie uit te wisselen tussen de Republiek en Azië. Er bestond wel een alternatief, namelijk over land via het Midden-Oosten; die werd ook wel gebruikt, maar was echter nog gevaarlijker dan de tocht over zee.

Duplicaten en triplicaten

Hoe was het vervoer van particuliere brieven geregeld bij de VOC? Er werd al op gewezen dat zich op allerlei locaties in het enorme handelsterritorium van de VOC dienaren van de Compagnie bevonden. Zij leefden en werkten op vaak kleine handelsfactorijen. Het arriveren van mondeling en geschreven nieuws vanuit het vaderland en andere vestigingen in de Oost betekende een plezierige onderbreking van het monotone bestaan in deze vaak afgelegen kustplaatsen. Voor dit nieuws waren zij vrijwel volledig afhankelijk van de schepen van de VOC.

Deze mensen misten zelden een kans om een brief te schrijven of - in deze tijd van wijd verspreid analfabetisme - te laten schrijven. Vaak deden zij dit in tweevoud of zelfs drievoud om de brief met verschillende schepen te kunnen versturen. Zo hoopten zij de kans dat de brieven onderweg verloren zouden gaan te verkleinen. Een voorbeeld van deze praktijk vinden we in een brief van een vrouw uit Gouda, die in augustus 1788 het volgende aan haar broer Nardus schreef: "Dit is de tweede brief die ik vandaag aan UwE schrijft [...] gij zal uit de eerste zien dat wij zeer verwondert zijn dat wij nog geen brief van Uw gehad hebben [...] niets zou ons aangenamer geweest zijn, gij behoefde zoo veel niet te schrijven als wij maar wiste hoe gij het had". (2)

Hoe groot het verlangen naar post van thuis soms kon zijn, toont het volgende schrijnende voorbeeld wel aan. In januari 1788 schreef de in Suratte (westkust van India) gestationeerde P.J. Dooremans voor de zoveelste keer een brief aan zijn ouders. Dooremans was voor zijn ouders in de Republiek ‘een voorwerp van verdriet’ geweest en daarom op het eerste schip dat naar de Oost vertrok weggestuurd. Ofschoon het onduidelijk blijft wat hij precies had misdaan, was Dooremans vol van berouw. Hij nam iedere gelegenheid te baat om een brief naar de Republiek te sturen, maar ontving tot zijn grote spijt nooit antwoord. Hij gaf in 1788 als volgt uiting aan zijn teleurstelling daarover: "IJder tijding van schip off scheepen doet mijn van vreugde opspringen op hoop dat ik tijding van UWelEd[el]e moghe bekoomen; gelieft nu eens na te gaan off het niet verdrietig is om zoo veel keeren aan een deur te kloppen die niet opengedaan word". Dooremans realiseerde zich wat er aan de hand was: "Ik hebben 25e April laa[t]stleeden [1787] aan mijn heele famielje geschreeven dog wat ik zie off wagt ik krijg geene tijding. Zij hebben mij nu allemaal verlaaten dat kan ik duijdelijk zien". Hij gaf echter de moed niet op: "Egter weet ik wel dat mijn lieve ouders mijn wel zullen herinneren off schrijven als zij deesen sullen leesen ik hoop ten minsten zoo het is immers veel vermaak om van den een off anderen tijding te bekoomen". (3)

"Met vriend die God geleide"

Op de enveloppen van Oost-Indische brieven staan naast de naam en het adres van degene voor wie de brief bedoeld was vaak de woorden "Met vriend, die God geleide" geschreven. Dit is geen toeval. In de praktijk blijkt dat zeer vele van deze brieven inderdaad met 'vriend', dat wil zeggen een vriend, een kennis of zelfs een vage bekende op een VOC-schip, werden meegestuurd. De indruk bestaat dat de meeste inwoners van de zeevarende Republiek toch wel een of meer mensen kenden die iets met de Compagnie te maken hadden. De volgende twee willekeurige voorbeelden - een uit de zeventiende en een uit de achttiende eeuw - tonen aan dat dit de dagelijkse praktijk moet zijn geweest.

In november 1672 beschreef een zekere Anthonius Scherius (waarschijnlijk uit Hoorn) de moord op de gebroeders De Witt in een brief aan een aan de Kaap de Goede Hoop gestationeerde vriend. Hij vermeldde tevens dat "brenger deses [van de brief (schr.)] is een persoon, wiens ouders mijn ende mijne huijsvr[ouw] als seer eerlicke luijden bekent sijn, van welcke hij te vroegh door den doot berooft is [...] hij is van een goet humeur, ende eerlick van inborst". In ruil voor de correcte bezorging van de brief kreeg deze anonieme zeevarende, die op zoek was naar een bescheiden betrekking als bottelier in genoemde vestiging van de VOC, van Scherius een schriftelijke aanbeveling.(4) Vaak werd voor het overbrengen van post een kleine beloning, in de vorm van een paar stuivers, in het vooruitzicht gesteld.

Meer dan een eeuw later schreef de Rotterdamse bakkersvrouw A. Aarnout een brief aan haar ‘veel geliefde suster’ in Batavia. In deze brief uit april 1786 beklaagde zij zich over het feit dat zij al sinds lange tijd niets van haar gehoord had. De zuster in kwestie, waarschijnlijk een weduwe, was met haar dochter in augustus 1784 op het door de kamer Zeeland gehuurde schip Mentor, onder commando van schipper Jan Jochem Milfaart naar Batavia vertrokken. Toen mevrouw Aarnout in een courant had gelezen dat de Mentor op 24 maart 1786 was teruggekeerd in de Republiek, besloot zij een kennis naar de rede van Rammekens (bij Vlissingen) te sturen om daar aan schipper Milfaart te vragen of hij brieven voor haar had meegebracht. De kapitein wist te vertellen dat de zuster in goede gezondheid in Batavia was gearriveerd en aldaar een bloeiend naai-atelier was begonnen. Van meegegeven brieven bleek echter geen sprake te zijn. De Rotterdamse vrouw begreep hier niets van;

"Kan niet bedenken mijn lieve suster wat daar aan mankeert en dat met een capteijn daar uwe mee vertrokken sijt. Weet niet wat daarvan te maken, [he]t schijnt suster of uwe niet te wel met de capteijn gescheijden sijt anders ken ik niet bedenken wat daar aan mankeren souw dat hij geen brieven heeft [...] wij hopen niet dat het is uijt oog uijt [he]t hart".

Een kortgeleden uit de Oost teruggekeerde Rotterdammer had de vrouw toen verteld dat brieven van de zuster zouden worden bezorgd door een zekere luitenant. Deze kwam echter nooit opdagen. Ook kwamen er met andere thuiskomende VOC-schepen geen brieven voor haar mee. De Rotterdamse vrouw nam vervolgens het initiatief weer in eigen handen en schreef een lijvige brief, die ze aan een kennis uit Delft die op het punt stond naar Batavia te vertrekken, zou meegeven. "Bij occasie dat mijn een heer uijt Delft geliefde te vragen of iets van mijn dienst was na Batavia kon ik niet afsijn een lettertje U te laten toekomen [...] Desen heer die de brieff mede neemt voor mijn is een inti[e]me vrient van U man geweest, hoop daar weer tijding mee te krijgen soo godt hem en uwe het leven spaart [...] moet afbreken alsoo de Heer na de brieff wagt". In dit haastig geschreven epistel beschreef zij zeer uitvoerig "het droevig toeval dat ik [...] heb gekregen in mijn regterbeen daar ik sestien weken plat van te bedt heb gelegen", een zaak die ook al in een eerdere - onbeantwoorde - brief was beschreven. Tenslotte sprak ze de hoop uit dat niet "een eenige suster die ik in de weerelt heb een suster sal uijt haar gedagte[n] laten die soo ongelukkig is als ik nu ben door mijn been, laat ik niet oordeelen. Mogelijk koome haast een brieff daar ik seer na verlang".

Of de vrouw ooit antwoord heeft gekregen van haar zuster blijft onduidelijk. Alles wijst er echter op dat laatstgenoemde brief, die door de kennis uit Delft meegenomen zou worden, Batavia nooit heeft bereikt. De originele brief bevindt zich namelijk in het VOC-archief. Dit wijst op inbeslagname.(5)

De hierboven geciteerde brieven uit 1672 en 1786 zijn slechts twee voorbeelden uit vele. Zij laten zien dat het in de zeventiende en achttiende eeuw gebruikelijk was brieven mee te geven aan opvarenden van de schepen van de VOC. Het was die opvarenden overigens streng verboden particuliere brieven mee te nemen. Toch moet het aantal jaarlijks op deze wijze verzonden brieven van en naar de Oost een enorme omvang hebben gehad. De VOC heeft gedurende het grootste deel van de zeventiende en achttiende eeuw getracht deze clandestiene stroom van brieven in te perken. Waarom liet de Compagnie geen vrij particulier postvervoer toe?

Strenge censuur

Vanaf het begin maakten allerlei bepalingen van de Heren XVII duidelijk dat de Compagnie bepaald niet gecharmeerd was van het verzenden van privé-brieven van en naar Azië. Zij was bang dat via deze particuliere brieven allerlei strategische en commerciële informatie over Azië zou uitlekken naar de grote concurrenten van de VOC, zoals de Engelse en Franse Oost-Indische Compagnieën. Bovendien wilde de directie van de Compagnie niet dat haar personeel op grote voet privé-handel dreef. De Heren XVII hadden de indruk dat privé-post en privé-handel veel met elkaar te maken hadden; kon niet iedereen via dit soort brieven grote - verboden! - bestellingen doen in de Oost zonder dat de VOC hiervan wist?

Het gevolg van deze houding was dat er strenge voorschriften werden opgesteld met betrekking tot het verzenden van post. Reeds vroeg in de zeventiende eeuw werd bepaald dat alle brieven en pakketten bedoeld voor privé-personen ingeleverd moesten worden vóór het vertrek van een schip. De brieven werden dan geopend en gelezen door VOC-functionarissen. Vervolgens werden ze, overigens kosteloos, in de zogenaamde 'gemene scheepdoos' met het eerstvertrekkende schip meegezonden. Een en ander maakt duidelijk dat er in de VOC-periode een strenge censuur bestond. Dit wordt ook bevestigd in de zogenaamde 'artikelbrief' van de Compagnie. Dit document bevatte een opsomming van de regels waaraan de bemanningsleden op VOC-schepen zich dienden te houden. Op het clandestien vervoeren van post voor derden stond een niet geringe geldboete; de gage van betrapte bemanningsleden werd vaak verbeurd verklaard! Een zware straf voor iemand die wellicht slechts een paar stuivers kreeg voor het op het juiste adres bezorgen van een brief.

 

Het is vanwege deze censuur dat particuliere briefschrijvers in de Republiek en Azië hun post liever meegaven aan bemanningsleden van Oost-Indiëvaarders, dan ze op de officiële manier - in de scheepsdoos - te versturen. Deze wijze van postvervoer had echter een aantal nadelen. Vele brieven raakten zoek, werden nooit bezorgd op het beoogde adres of werden - bij het onderweg overlijden van de illegale besteller - eenvoudig weggegooid. Het zou lange tijd duren voordat in deze situatie verandering kwam.

De Kaap: het postkantoor der oceanen

De Heren XVII meenden dus dat de Compagnie veel nadeel ondervond van de verzending van privé-post. Zij hadden echter wel grote behoefte aan een spoedige overkomst van de officiële Compagniespost. Kunnen beschikken over 'recente' informatie over (lokale) oorlogen en het plotseling opdoemen van nieuwe concurrenten, maar ook over corruptie onder VOC-dienaren en veranderingen in het handelspatroon was een absolute voorwaarde voor het succes van de Compagnie. De Heren XVII en de kamers stuurden met iedere uitgaande vloot grote pakketten post naar de vestigingen in de Oost en de Hoge Regering in Batavia en de gouverneurs op Ceylon en Kaap de Goede Hoop zonden stapels retour. Een vitale schakel in de communicatielijn van de Compagnie was de vestiging aan Kaap de Goede Hoop, dat om deze reden wel eens het 'postkantoor der oceanen' wordt genoemd.

Al snel nadat de eerste Europeanen, op weg naar Indië, hadden aangelegd in de Zuid-Afrikaanse Tafelbaai, vond op deze verversingsplaats een 'stille uitwisseling' van brieven plaats. De schepelingen - Engelsen, Nederlanders, Fransen en Denen - legden in de eerste helft van de zeventiende eeuw pakketjes met brieven onder platte stenen en voorzagen deze soms van uitvoerige inscripties. Op zo'n steen - die op het strand langs de Tafelbaai of verder landinwaarts werd neergelegd - werden bijvoorbeeld de naam van het schip en de gezagvoerder en de datum gebeiteld. Het was de bedoeling dat een schip dat in de tegenovergestelde richting voer en Kaap de Goede Hoop aandeed de post die onder de stenen lag, zou meenemen naar de plaats van bestemming. De gezagvoerders van Oost-Indiëvaarders die de Kaap aandeden lieten derhalve als eerste de omgeving verkennen op de aanwezigheid van poststenen. Dit systeem bood het grote voordeel van een relatief snelle overkomst van de brieven. Een voorbeeld kan dit duidelijk maken. Een schip, onderweg van Indië naar de Republiek, liet brieven voor Batavia aan Kaap de Goede Hoop achter onder een poststeen. Een schip dat bijvoorbeeld een maand later op haar reis naar Indië de Kaap aandeed, nam die brieven mee en leverde ze een maand of drie later in Batavia af. De tijd tussen het schrijven van de brieven en de aflevering bedroeg op deze manier ongeveer vier maanden. Had zo'n 'postkantoor' aan de Kaap niet bestaan en waren die brieven voor Batavia meegenomen naar de Republiek en van daaruit weer naar Batavia gezonden met een volgend schip, dan waren er zo'n achttien maanden verlopen tussen het schrijven en de aflevering van de brieven!

Kaapse inscripties

Een aantal poststenen is bij opgravingen in Kaapstad teruggevonden en bevindt zich thans in Zuid-Afrikaanse musea. Het Suid-Afrikaanse Kultuurhistoriese Museum in Kaapstad bezit de meest uitgebreide collectie. Het grootste aantal inscripties is van Engelse origine, maar er valt toch ook een aantal Nederlandse in het museum te bewonderen. Eén van de fraaist geconserveerde poststenen met een Nederlandse inscriptie is die van de retourvloot van commandeur Dirk van der Lee uit 1632.(6)

Op de steen staat letterlijk de volgende inscriptie:

HIER ONDER LEGGEN BRIEVEN

VAND COMAND D. V. LEE EN VICE

COMD P. CROOCK MET DE SCHEPEN

NASSAU FRE HENDRIK NIMMEGEN

WESEL ENDE GALIAS ALHIER DEN

9 APRIL 1632 VAN BATTAVIA

GEARIVEERT & VTROCKEN DEN

15 DITTO

(Als de onvolledige woorden worden aangevuld en de ontbrekende gegevens worden toegevoegd, luidt de inscriptie in modern Nederlands als volgt: hieronder liggen brieven van de commandeur Dirk van der Lee en vice-commandeur Paulus Crook met de schepen Nassau, Frederik Hendrik, Nijmwegen, Wezel en Galiasse alhier op 9 april 1632 van Batavia gearriveerd en op 15 april vertrokken.)

Over deze Kaapse poststeen is iets bijzonders te vertellen. Op 6 januari 1632 vertrok van Batavia een retourvloot van vijf schepen onder commandeur Dirk van der Lee en vice-commandeur Paulus Crook. De vloot bestond uit de schepen Nassau (schipper Daniel Aartsz.), Frederik Hendrik (schipper Pieter Jansz.), Galiasse (schipper Theunis Jacobsz. Engels), Nijmwegen (schipper Dirk Adamsz.) en Wezel (schipper Laurens Gerritsz.). De commandeur, die in Batavia secretaris van de Hoge Regering was geweest, bevond zich aan boord van de Nassau.

De op de poststeen vermelde data zijn niet in overeenstemming met de gegevens in het VOC-archief. Volgens deze informatie bevond de vloot zich van 3 tot en met 20 april 1632 in de Tafelbaai. Waarschijnlijk was 15 april de beoogde vertrekdatum, maar is de vloot wegens omstandigheden pas een paar dagen later uitgezeild. Van der Lee besloot brieven voor Batavia achter te laten en legde die onder een steen die al eens eerder voor dit doel gebruikt was. Schepelingen hadden deze 'tweedehands' poststeen gevonden met een Engelse inscriptie uit het jaar 1631. Niet duidelijk is of zij er ook Engelse brieven onder aantroffen. Of er weinig geschikte platte stenen op het strand lagen of dat men geen zin had verder te zoeken, zal wel nooit worden opgehelderd. In ieder geval werd besloten de steen om te draaien en er een nieuwe tekst in te graveren. De aangetroffen Engelse inscriptie luidde:

RICHARD ALNUTT COM OF

LONDON ARIVED JULY 4

AN 1631

DEP XXI BANTH

Oftewel: Richard Alnutt, gezagvoerder van de London arriveerde 4 juli 1631 en vertrok op 21 juli naar Bantam. De vloot van commandeur Van der Lee bereikte in begin augustus 1632 de Republiek. De Nijmwegen ging onderweg verloren op het Borkumer Rif.

De zojuist beschreven zaak van de steen met de dubbele inscriptie toont direct aan hoe gevaarlijk het was om zo maar post achter te laten aan de Kaap. In feite kon ieder Engels, Frans of Deens schip dat aanlegde in de Tafelbaai de Nederlandse Compagniespost op deze wijze ontvreemden. Hetzelfde gebeurde ook met Engelse post, die zo nu en dan in Nederlandse handen viel. Een aantal malen werd dan ook getracht om post in bewaring te geven bij inheemse bewoners van Kaap de Goede Hoop, maar in de praktijk bleek ook dit niet altijd helemaal veilig te zijn.

Met de komst van Jan van Riebeeck werd Kaap de Goede Hoop in 1652 officieel Nederlands grondgebied. Voortaan was het niet meer nodig om post onder platte stenen neer te leggen; de officiële VOC-post kon eenvoudig worden afgegeven op het door de Nederlanders gebouwde Kasteel de Goede Hoop, de zetel van de gouverneur. Met de stichting van de Kaapkolonie had het postvervoerssysteem van de VOC zijn definitieve vorm gekregen. Alle officiële post werd verzonden met Compagniesschepen, die feitelijk alle vestigingen van de VOC regelmatig aandeden. De stad Batavia was het centrum van deze vestigingen in de Oost en de meestal daar verzamelde en gekopieerde 'brieven en papieren' werden meegezonden met de retourvloten. De postverzending van de Compagnie was derhalve direct gerelateerd aan het enigszins inflexibele patroon van het scheepvaartverkeer tussen Nederland en Azië, dat bijna volledig was ingesteld op het vervoer van Aziatische bulkgoederen. Door Kaap de Goede Hoop te gebruiken als een soort postkantoor werd het verlies aan tijd zo veel mogelijk beperkt, maar een brief van Amsterdam naar Batavia deed er gemiddeld toch negen maanden over eer de bestemming was bereikt. Het heeft tot de jaren tachtig van de achttiende eeuw geduurd voordat de VOC iets aan de snelheid van de officiële postbezorging deed. De Compagnie werd hiertoe gedwongen door treurige omstandigheden.

 

 

Brieven voor Batavia. Het postvervoer tussen Nederland en Azië in de tijd van de VOC.

Deel 2

P.J. Moree

Verstoorde communicatie: de Vierde Engelse Oorlog

Tot de Vierde Engelse Oorlog had de VOC haar dienaren nooit aangemoedigd om post te sturen naar familieleden en kennissen overzee. Pas aan het einde van de achttiende eeuw riep de VOC een geregelde postdienst in het leven; er kwam een heuse pakketdienst met kleine, snel zeilende schepen tot stand. Voor de eerste maal in de geschiedenis van de VOC zou het versturen van particuliere post van en naar Azië daadwerkelijk worden aangemoedigd door de Compagnie. Vanwaar die ommezwaai?

De gang van zaken tijdens de Vierde Engelse Oorlog en de daarop volgende jaren maakte overduidelijk dat de communicatie tussen het VOC-bedrijf in de Republiek en in Azië ronduit gebrekkig was. Tijdens de oorlog was het berichtenverkeer uiterst beperkt geweest. In feite waren alleen neutrale schepen, vaak door de VOC gecharterd, in staat geweest Azië te bereiken. In de eerste naoorlogse jaren kwam er maar weinig verbetering in de communicatie tussen de Republiek en Azië. Dit werd niet alleen zo gevoeld door de Compagnie, maar tevens door de Nederlandse marine, die ter ondersteuning van de VOC een aantal oorlogsbodems naar Azië had gestuurd. De marine wilde graag contact houden met de gezagvoerders van deze schepen. Men besloot dat de Compagnie voor het overbrengen van urgente boodschappen van en naar de Oost een aantal snel zeilende schepen moest bouwen. Dit werd urgent toen in 1785 plotseling een concurrent in de Aziatische wateren verscheen, namelijk de Spaanse Koninklijke Philippijnse Compagnie. Indien de Nederlandse marineschepen actie moesten ondernemen tegen de Spanjaarden, was een goede en snelle communicatielijn noodzakelijk.

Een innovatief plan

In het jaar 1786 werd een sluitende oplossing bedacht voor het communicatieprobleem.(7) Enkele bewindhebbers van de VOC stelden een plan op dat voorzag in de inrichting van een regelmatige scheepsverbinding tussen de Republiek en Azië, een zogenaamde pakketdienst. Elke drie maanden moest een snel zeilende pakketboot uit een Nederlandse haven vertrekken, met aan boord de laatste berichten en orders van de Heren XVII en de kamers. De Hoge Regering in Batavia moest iedere drie maanden een met post volgeladen pakketboot retour sturen. Om zo'n dienst uit te kunnen voeren, moest de Compagnie beschikken over vijf pakketboten. Een zesde was nodig om twee maal per jaar op en neer te zeilen tussen Kaap de Goede Hoop en Ceylon. Een viertal pakketboten diende als reserve voor het geval vertraging optrad of zich een calamiteit voordeed. In totaal werden op de verschillende Compagnieswerven dus tien pakketboten gebouwd. In de naam van sommige van deze schepen, zoals de Vlijt, het Haasje en de Snelheid, kan een al dan niet directe verwijzing naar snelheid worden gevonden.

Op deze pakketboten zouden slechts vierentwintig bemanningsleden worden geplaatst. Door middel van hogere salarissen dan bij de Compagnie gebruikelijk waren, hoopte men uitstekende en ervaren officieren en matrozen aan te trekken. Met deze bemanningen zou een totale reis, dus van de Republiek naar Azië en terug, niet langer dan elf maanden behoeven te duren.

Een innovatie als deze bracht uiteraard de nodige kosten met zich mee. De bedenkers van het plan realiseerden zich dit en bedachten een even eenvoudige als efficiënte oplossing: de pakketvaart van de VOC zou gedeeltelijk worden gefinancierd uit de opbrengsten van particulier postverkeer. Iedereen in de Republiek en Azië zou de mogelijkheid krijgen om privé-post te versturen met de pakketboten van de Compagnie. De portokosten zouden betaald moeten worden door de ontvangende partij, net zoals dat bij het binnenlandse postverkeer gebruikelijk was. Een groot gedeelte van de opbrengst van de niet onredelijk geprijsde dienstverlening zou rechtstreeks terechtkomen in de kassen der Compagnie.

Vier koperen poststempels voor negen briefformaten

Om ervoor te zorgen dat de opbrengst van het particuliere postverkeer inderdaad in de kas van de Compagnie terechtkwam, was besloten dat het door de geadresseerde te betalen porto op de enveloppen van de particuliere brieven zou worden aangegeven. Dit moest gebeuren met koperen inktstempels. Het Museum voor Communicatie (voorheen PTT Museum) is in het gelukkige bezit van enkele van deze unieke stempels.

In iedere kamer van de VOC in de Republiek en in de belangrijkste vestigingen in de Oost werd een postmeester benoemd. Zo'n postmeester moest de brieven naar grootte in negen klassen indelen. Bij ieder formaat hoorde een bepaald portbedrag. Voor brieven van het eerste formaat moest de ontvanger zes stuivers betalen, voor het tweede formaat twaalf stuivers, voor het derde formaat één gulden, en dit liep verder op tot zeven gulden voor het negende formaat.

Voor het stempelen van de brieven door de postmeesters liet de Compagnie sets van vier verschillende stempels maken: een van zes stuivers, een van één gulden, een van twee gulden en een van drie gulden. Door het combineren van diverse stempels of door dubbel stempelen konden ook de hogere postwaarden bereikt worden. De postmeesters moesten exact bijhouden hoeveel brieven en pakketten ze ontvingen en verzonden, omdat ze verplicht waren ieder jaar een verantwoording te sturen naar de bewindhebbers van de kamer Amsterdam, die op hun beurt weer een jaarlijkse 'generale verantwoording' moesten inleveren voor de vergadering van de Heren XVII. Nu deze zaken geregeld waren, kon de eerste pakketboot vertrekken.

Tien snel zeilende postschepen

Op 8 mei 1788 stelden de Heren XVII de vertrekdatum van de eerste pakketboot vast op 1 september van dat jaar. De kamer Amsterdam had alles in het werk gesteld om voor die datum het schip zeilklaar te hebben. De officieren werden zorgvuldig geselecteerd. Als gezagvoerder werd de in Zwolle geboren voormalige marineofficier Anthonius Franciscus Steffers gekozen. Naast Steffers bestond de bemanning uit een stuurman, een onderstuurman, een bootsman, een timmerman, een chirurgijn, een zeilmaker, een kok, veertien matrozen (voornamelijk afkomstig uit Duitsland en Zweden) en twee jongens. Op de eerste september 1788 vertrok de pakketboot Maria Louisa van de rede van Texel. Het kleine schip bereikte Kaap de Goede Hoop in minder dan drie maanden. Na een korte verversingsstop werd in nog geen twee maanden de rede van Batavia bereikt. Op 5 maart 1789 verliet de Maria Louisa Batavia weer en arriveerde via de Kaap in Texel op 3 augustus van dat jaar. De totale duur van uitgaande en thuisreis bedroeg elf maanden en twee dagen. Vanwege hun zeer snelle reis ontvingen gezagvoerder en stuurlieden een bonus. De Maria Louisa vertrok in oktober voor de tweede maal naar de Oost, wederom onder commando van Steffers.

Het belang van deze eerste reis van de Maria Louisa is moeilijk te overschatten. Vergeleken met de andere schepen die de rede van Texel in het jaar 1788 verlieten, kan niet anders dan geconcludeerd worden dat deze pakketboot veel sneller was dan de gewone Oost-Indiëvaarders.

In de periode 1788-1795 vonden achtentwintig uitgaande reizen van pakketboten plaats en eenentwintig thuisreizen. Tussen september 1788 en december 1792 zijn er in totaal eenentwintig pakketboten in de richting van Kaap de Goede Hoop, Ceylon of Batavia vertrokken. De Heren XVII en de bewindhebbers in de diverse kamers van de VOC deden hun uiterste best om zeker te stellen dat iedere drie maanden een pakketboot, volgeladen met officiële en particuliere brieven en pakketten, een Nederlandse haven kon verlaten. Soms waren er vertragingen van een paar weken, maar die hadden te maken met reparaties of het feit dat er nog belangrijke Compagniespost in aantocht was. De frequentie in vertrekdata in Azië was geringer, maar toch is er tot en met 1792 elk jaar een aantal pakketboten naar Europa gezonden. De totale duur van de reizen van deze schepen, van de Republiek naar Azië en terug, varieerde in deze periode tussen iets meer dan tien en veertien maanden: bijna alle korter dan die van reguliere Oost-Indiëvaarders.

Het ging in de periode van 1788 tot het einde van 1792 dus goed met de pakketvaart van de Compagnie. En hoe zat het met de particuliere brieven? Verstuurden de mensen uit de Republiek en Azië hun privé-post voortaan met de nieuwe, officiële postdienst van de Compagnie? Ofschoon er voorbeelden bestaan van clandestien postvervoer in het begin van de jaren negentig, levert de door de postmeesters van de VOC nauwkeurig bijgehouden postadministratie een bevestigend antwoord op de laatste vraag. Tussen 1788 en 1794 werden in totaal zesenvijftigduizend brieven naar Kaap de Goede Hoop en Azië vervoerd en bijna eenenvijftigduizend in omgekeerde richting. Tot en met 1792 was de pakketvaart succesvol. Vanaf 1793 echter, met de oorlog tegen de Fransen en daarna tegen de Engelsen, was het een ander verhaal.

Gedurende de twee oorlogsjaren 1793 en 1794 verloor de VOC drie van de tien pakketboten. De Fransen veroverden er twee en een derde werd verkocht aan de Nederlandse marine. De overgebleven zeven pakketboten ondervonden veel hinder van de oorlogssituatie, maar zijn in de jaren 1793 en 1794 wel alle uitgezonden naar Azië. Geen van deze schepen zou ooit nog terugkeren in de Republiek. In het jaar 1795, nadat de (inmiddels Bataafse) Republiek en Engeland vijanden waren geworden, veroverden Engelse oorlogsschepen twee pakketboten in de buurt van Kaap de Goede Hoop. Twee andere werden, net voordat ze door de Engelsen genomen zouden worden, verkocht aan de Deense Oost-Indische Compagnie in Bengalen. Weer twee andere had in 1795 de betrekkelijke veiligheid van Batavia gevonden en de laatste snelzeiler keerde terug naar Europa, maar kon vanwege de oorlogssituatie de Republiek niet meer bereiken en eindigde zijn omzwervingen in Noorwegen. De innovatieve pakketdienst, die de communicatie tussen de Republiek der Verenigde Nederlanden en Azië voor zowel de VOC als voor privé-personen had verbeterd, ging samen met de eens zo machtige Verenigde Oost-Indische Compagnie ten onder.

Op 31 december 1799 verliep het octrooi van de Compagnie en op 1 januari 1800 nam de staat al haar bezittingen en schulden over. Die schulden waren niet mis: zij werden begroot op 134 miljoen gulden! Daar stonden de bezittingen aan Kaap de Goede Hoop, in Voor-Indië en Indië tegenover, maar een deel daarvan bevond zich al vanaf het uitbreken van de oorlog met Engeland in 1795 in handen van de vijand. Dit gold ook voor het essentiële verversingsstation onderweg, Kaap de Goede Hoop. Het contact met Indië kon dan ook alleen worden onderhouden met behulp van schepen die onder neutrale vlag voeren; vooral Deense en Amerikaanse schepen. Die kregen het echter ook steeds moeilijker, zodat de contacten met Indië steeds schaarser werden.

 

Besluit

Tijdens de zeventiende en achttiende eeuw, in het tijdvak van de Vereenigde Nederlandsche Geoctroyeerde Oostindische Compagnie, bestond een levendig postverkeer tussen de Republiek en de vestigingen van de VOC in Azië. Dit geldt zowel voor de officiële Compagniespost als voor particuliere brieven. Deze privé-post was onderworpen aan censuur. Om die te ontlopen, zonden vele particuliere briefschrijvers hun post langs illegale weg naar Azië, door middel van bemanningsleden en passagiers aan boord van de VOC-schepen. De Compagnie trachtte dit clandestiene verkeer tegen te gaan, maar in de praktijk lijkt dit weinig effect te hebben gehad. Het vrije particuliere postvervoer kreeg pas een werkelijke - zij het kortstondige - kans aan het eind van de achttiende eeuw. Toen richtte de Compagnie een echte pakketdienst in met kleine snel zeilende schepen.

 

Noten

(1) Aagjes brieven zijn in 2003 volledig gepubliceerd: P.J. Moree, Kikkertje Lief. Brieven van Aagje Luijtsen geschreven tussen 1776 en 1780 aan Harmanus Kikkert, stuurman in dienst van de VOC (Texel 2003). De negentien brieven bevinden zich in de collectie van The National Archives, Londen.

(2) Nationaal Archief, Den Haag, VOC-archief, inv. nr. 4772, brieven van en aan particulieren verzonden met VOC-schepen, 1780-1803. Briefschrijfster was mevrouw J.L. Loets.

(3) Nationaal Archief, Den Haag, VOC-archief, inv. nr. 4772. De geciteerde brief is gedateerd 11 januari 1788.

(4) Public Record Office, Londen, High Court of Admiralty, inv. nr. 30, doos nr. 228. De brief was gericht aan Coenraed Bredenbach, opperhoofd van de militie aan Kaap de Goede Hoop.

(5) Nationaal Archief, Den Haag, VOC-archief, inv. nr. 4772. De geciteerde brief, gedateerd 20 april 1786, is geschreven door mevrouw A. Brink geboren Aarnout uit Rotterdam aan haar zuster in Batavia. De Mentor bereikte in mei 1785 de rede van Batavia en aanvaardde in oktober de terugreis.

(6) P. Schoonees, Inscriptions on padroes, postal stones, tombstones and beacons (Cape Town, 1991), p. 54. De originele steen meet 50 bij 33 cm. Het PTT Museum in Den Haag bezit een replica van het deel van de steen met de inscriptie.

(7) Zie voor het onderdeel over de pakketvaart P.J. Moree, Met vriend die God geleide. Het Nederlands-Aziatisch postvervoer ten tijde van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (Zutphen 1998).